Nieuwe Gedichten

alles van weerloos

de hazelaar laat zijn staartjes hangen,
de sneeuwklokjes duiken onder,
aan de vijver weeft de treurwilg zijn eerste schroom,
uit het gras springen vlokken van lente,
zo is het, al jaren.

je wist het van de zon, al van toen het jaar begon,
hij zou langer blijven schijnen,
maar wat met de kou in je botten,
de blaren die rotten, de staken alom.


karel sergen
februari
vilvoorde

Foto: Stadspark Genk (Lieve Schols)

 

Secuur

twee benen in zijn hand,
van ouderwets staal zijn ze,
ze zijn hem al jaren goed vertrouwd,
ze kreunen als hij ze opentrekt, ze sluit,
ritmisch gaat het, de hagen raken strak in ‘t lid,
wildgroei weg, de vormen terug in hun nog klare staat.

de binnentuin roept hem, het is hoogzomertij, kom.
hij zingt de psalmen, leest het Oud Verhaal,
maar wat naar buiten steekt, snoeit hij.

al zijn buren spuiten. hij niet.
er kluistert zich geen mot rond zijn habijt,
dit heim is hoog en sterk, waar chaos niet gedijt.

noch larf noch pop noch rups,
die tasten, aantasten.

de monnik werkt en woont, zelfbeschut.

karel sergen
De Kovel 49 (2017/sept.) 60-61. Abdij van Fontfroide, binnentuin. © foto: Tourisme Narbonne.